BENT U GETROUWD?

Die vroege ochtend was het mooi in onze achtertuin. De zon scheen, er stond bijna geen wind en ik zag de groene specht. Heel even maar, onder luid gelach vloog hij uit de boom om snel weer onder te duiken in de struiken verderop. Een fraaie en intrigerende vogel, die groene specht. Hij maakt ook een hol in een boom, net als andere spechten, maar roffelen doet hij niet. En hij eet voornamelijk mieren. Die zon en de vogel, aanleiding genoeg om er op uit te gaan. Het weerbericht dat ik hoorde maakte het nog beter. Over een uurtje of twee zou het gaan bewolken en regenen. Niets mooiers dan ergens onder een blauwe hemel lopen en dan langzamerhand de lucht zien betrekken. Nog mooier: als het daarna zachtjes gaat regenen. 

De weg die ik de eerste twee kilometer volgde was niet erg spannend. Door een polder met links en rechts lege weilanden. Heel groen allemaal, dat wel. Bijna onnatuurlijk. Aan weerskanten van de weg rijen bomen: essen en eiken. Stel je voor dat die bomen er niet stonden, dat zou de omgeving wel erg kaal, misschien zelfs troosteloos maken. Toch zag ik dat op veel bomen een merkteken was aangebracht. Net als waar ik woon. Gemeentes blijven maar kappen. Onder het mom van diverse verdedigende argumenten. Bijvoorbeeld: wanneer je om en om kapt krijgen de overblijvende bomen meer mogelijkheid zich te ontwikkelen. Wat een onzin, ze hoeven helemaal niet tot in de hemel te groeien. Het gaat natuurlijk om het verminderen van onderhoud. 

Ik kon mijn sombere gedachten gelukkig achter mij laten want ik had het eind van de weg bereikt en ik sloeg het smalle paadje in. Geen gras meer maar een min of meer verwaarloosd bos. Afgewisseld met zandvlaktes en, verder nog, kleine vennen die  goed aan het indrogen waren. Net als de vorige keer kwam ik geen mens tegen. Ook geen dier trouwens. Het was opzienbarend stil. Ik wist dat ongeveer drie kilometer verder een klein dorp lag. Die kant ging ik op. Dit was een dorpje zonder winkels. Met misschien maar zo’n 50 huizen. Meer een gehucht. Maar hoe oud en enigszins vervallen sommige huizen ook waren, het geheel zag er sfeervol uit. 

Bij het laatste huis zag ik beweging. Een man, hij scharrelde wat rond bij een vervallen kippenhok leek het wel. Hij zag mij ook en bewoog zich langzaam mijn kant uit. Ik keek naar hem en zag in de verte de beloofde bewolking in de vorm van een zwarte lucht. Het pad leidde mij in de richting van het huis. En van de man die mij duidelijk stond op te wachten. Hij kon rond de 70 jaar zijn, maar net zo goed 80. Als een buurman leunde hij op iets dat ooit de helft van een toegangshek was geweest. Hij zag er wat sjofel uit maar had een zelfbewuste uitstraling. 

Toen ik nog een paar meter van hem vandaan was, zei hij: nou, nou, je bent de eerste sinds drie dagen. Da’s niet veel, antwoordde ik en ik wilde langzaam doorlopen. Maar zo makkelijk kwam ik niet van hem af. Ben je getrouwd?, vroeg hij. Op dit soort vragen geef ik geen antwoord. Niet dat ik iets te verbergen heb, maar ik vind het niet relevant. Ik kreeg trouwens niet eens de gelegenheid om te antwoorden. Nou, ik wel, zei hij en hij trok een gezicht alsof hij iets verschrikkelijk smerigs moest doorslikken. 

Gelukkig is ze dood, voegde hij er achteloos aan toe. En hij keek me afwachtend aan. Doorlopen, dacht ik. Waarom ontmoet ik toch steeds van die vreemde figuren als ik ergens loop. Of vinden ze mij ook vreemd? Herkennen ze zichzelf wanneer ze mij zien? Het geeft me in ieder geval wel altijd stof tot nadenken. En tot opschrijven. Kom even kennismaken met haar, vervolgde hij. Ze zit daar altijd zo alleen buiten. Mijn nieuwsgierigheid won het toch weer van ongeloof en een licht gevoel van onbehagen. Ik liep met hem mee de tuin in, langs het huis en naar de tweede achtertuin deze ochtend.

De tuin was niet breed maar wel erg diep. De man wees en in de verte, aan het eind van de tuin, zag ik een stoel waarop iemand zat. Met de rug naar ons toe. Daar zit ze, zei de man, terwijl we traag door het hoge gras die richting uitliepen. Ze kijkt over de velden, zei hij, al heel lang, dag en nacht. Ze hoefde geen eten meer, had ze tegen hem gezegd, dat had ze niet meer nodig. We waren de stoel tot op een meter of vijf genaderd. Ik zag mooi grijs haar aan de achterkant. En een zwarte jurk. 

Stop hier maar even, zei hij, anders schrikt ze misschien. Ze zit daar wel, vervolgde hij, maar ze is eigenlijk meegenomen. Wat je ziet is mijn vrouw niet meer. Dat had ze ook gezegd, dat ze haar kwamen halen. Alleen haar lichaam is er nog. Maar dat is leeg. Ik had even nodig om alles goed tot me te laten doordringen. Om ons heen was niets dan rust. Hier stond ik, naast een vreemde man, die mij niet echt angstig maakte, te oud, te fragiel. Maar dit alles was toch wel behoorlijk naargeestig. Ja, ging de man verder, ze was niet makkelijk maar wel heel eerlijk en je kon altijd op haar rekenen. Alleen het beste was goed genoeg voor haar. Dus ze zal wel in de hemel zijn. 

Hij keek me aan, vragend. Ik wist echt met deze situatie geen raad en haalde mijn schouders op. Als zij in de hemel is zal ik haar wel nooit meer zien, vervolgde hij. En weer leek het alsof hij verwachtte, nee hoopte, dat ik een antwoord zou geven waar hij mee verder kon. Gelooft u hier eigenlijk allemaal wel in, ging de man verder. Ik haalde opnieuw mijn schouders op, ik weet het echt niet, zei ik. 

Toen deed ik een paar stappen naar voren. Het was een aangeklede pop. Vanuit de verte aan de achterkant net echt, aan de voorkant niet meer. Mooi toch, zei hij, je moet eigenlijk nooit van voren kijken, dan werkt het niet. Ze had heel veel kleren, allemaal donker. Om de zoveel tijd doe ik haar iets nieuws aan. Eigenlijk ben ik nooit alleen zo. Langzamerhand was ik me wat meer op mijn gemak gaan voelen. Wat is hier eigenlijk op tegen, dacht ik. De man kan voor zichzelf zorgen en hij doet niemand kwaad. Ze zit hier prachtig, zei ik, maar ik moet nu toch echt verder. We stonden intussen onder een zwart wolkendek. Nog even en het zou gaan regenen. Ik draaide me om en liep terug naar het huis. Daar zag ik een auto op het pad parkeren. Een wat oudere vrouw met een zwarte jurk aan was net uitgestapt. Ze keek naar ons. Ik voelde me heel schuldig toen ik haar richting uitliep. 

156 Reactie's

Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.