17 okt Daar komen de schutters
In september 1966 meldt de jongen zich in de Willem III Kazerne in Amersfoort. Het is een woelig jaar. Rond het huwelijk van Prinses Beatrix en Claus von Amsberg zijn rellen en rookbommen. De oorlog in Vietnam is op haar hoogtepunt. D’66 wordt opgericht en in China start de Culturele Revolutie. En, oh ja, Ajax wordt kampioen. Achter het zogenaamde IJzeren Gordijn hadden de landen van het Warschaupact zich verschanst. Dit werd ‘Het Rode Gevaar’ genoemd. Wij, van de NAVO, bereidden ons voor op een oorlog. Parate legertroepen in West-Europa vingen bij een aanval van de vijand de eerste klappen op. Het Nederlandse leger kreeg zijn eigen verdedigingsgebied toegewezen op de Noord-Duitse Laagvlakte. De boel daar zo lang mogelijk tegenhouden en wachten op hulp van de Amerikanen. Dat was de afspraak.
De jongen werd door de beroepsmilitairen ontvangen met hoongelach. Of hij zijn haar niet wilde opsteken. Een leuk strikje misschien? Hij had zo’n beetje het langste haar van de school waar hij net afkwam. Daar was hij al eens voor naar huis gestuurd. Hier werd het ter plekke opgelost, binnen een minuut of vijf was hij gekortwiekt. Het resultaat was nog het beste te omschrijven als ‘kaal met hier en daar wat plukken’. Toen hij de eerste keer op verlof met de trein in Rotterdam aankwam, werd hij opgehaald door vriendin R. Zij herkende hem niet. En had, volgens hem, toen liever maar gelijk een eind gemaakt aan de relatie.
De Willem III Kazerne was oud (1883) en vooral ook koud. Er waren grote slaapzalen met aan weerskanten lange rijen met ijzeren stapelbedden. In het midden een kolenkachel. ‘s Morgens om zes uur ging de wekker af in de vorm van een trompettist in de gang. Het resoneerde geweldig en klonk iedere morgen weer alsof de veroorzaker van de herrie naast je bed stond. Voortdurend werd er geschreeuwd: in de looppas. Altijd die looppas, naar de eetzaal, naar het kazerneterrein en ‘s morgens in looppas naar de wasruimten. Waar nog nooit warm water was gesignaleerd. Wanneer hij een officier in de gang tegenkwam diende hij met zijn rug tegen de muur te wachten tot deze voorbij was. Diezelfde trompetter liet zijn riedel soms ook ‘s nachts om drie uur horen. Of hij maar binnen een kwartier aangekleed en met volledige bepakking op de kazerneplaats wilde aantreden. Een beetje te laat betekende een week lang de gangen aanvegen. Een beetje meer te laat was een weekend geen verlof.
Na een week of zes begon de jongen te wennen aan het afknijpen, drillen en vernederen door de beroepsonderofficieren. En aan de commandant, een wat oudere ritmeester die allang bevorderd had moeten zijn. Dat wilde hij niet, dan werd hij majoor. Voor hem bestond er maar een eretitel: ritmeester. Achter ritmeester kwam er dan wel een dubbele achternaam. Niet ongewoon bij de cavalerie. ‘s Morgens schoot hij een kalkoen, fazant of kip in de afgerasterde tuin van de kazerne. Voor de lunch.
Na de afknijp-vooropleiding van twee maanden verhuisde de jongen naar de Bernhardkazerne in Amersfoort. Een hele verbetering. Zo waren er centraal verwarmde barakken. Zijn haar had inmiddels de maximaal toelaatbare lengtegrens bereikt en hij maakte kennis met de tanks: Indrukwekkende Centurions met een Rolls Royce motor. Op de Vlasakkers, achter de kazerne, werd geoefend. Zijn tankrijbewijs ligt nog ergens thuis. Altijd leuk: met het kanon op een afstand van meer dan een kilometer een jeep doormidden schieten. De tankbemanning was goed bewapend. Naast het kanon een pistool, machinegeweren en een mitrailleur. Hier en daar waren ook nog wat handgranaten opgeborgen. Nee, zo langzamerhand kreeg de jongen wel vertrouwen in een confrontatie met de Rus op de Noord-Duitse Laagvlakte. Na zes maanden verliet hij Amersfoort als huzaar van Sytzama in de rang van wachtmeester met als functie tankcommandant. Op naar Oirschot.
Altijd paraat was het parool. Dus oefenen en nog eens oefenen. Op de Oirschotse Heide, in Duitsland en in België. Beste herinnering: de stoomtrein naar de Luneburger Heide met zo’n dertig tanks erachter. Zes weken lang in een tentje op de hei, zes weken lang regen. Latrines waren iets verderop in een greppel. Op 5 oktober 1967 kwam Prins Bernhard met gevolg op bezoek. hij bleef een uurtje. Voor hem werd een doortrektoilet neergezet. Daar omheen een prachtig huisje. Geschilderd in de bataljonskleuren: blauw en wit. De prins heeft het niet gebruikt.
Op een kwade dag kwam een generaal langs in Oirschot. De oude Centurion tanks waren aan vervanging toe. Ons land ging kiezen tussen de Engelse Chieftain en de Duitse Leopard. De generaal zocht vrijwilligers voor een zes maanden durende test. Afmattend, zei hij, maar een uitdaging en ozo belangrijk. Niet alleen voor ons land maar voor heel de westerse wereld. Wie zou daar niet bij willen zijn… Steek je hand maar op en niet allemaal tegelijk graag. Niemand dus. Dan maar loten, zei de generaal. En zo werd de jongen commandant op de eerste Leopardtank in Nederland. Alles opnieuw leren in deze moderne versie: rijden, schieten, onderhoud. Het afscheid van de groep viel niet mee.
De test werd serieus genomen. Met de Chieftain kwam een typisch Engelse officier mee. In een lange cameljas keek hij voornamelijk bewegingsloos toe. De Pruisische kolonel die bij de Leopard hoorde was van een heel ander kaliber. Hij was van adel, had een glazen oog en een mank been. Maar hij keek niet toe en werkte mee. Aan het eind van iedere dag sleepte hij kratten bier aan. En vertelde over zijn avonturen in de tweede wereldoorlog. Die vielen niet altijd in goede aarde.
De jongen begon het bijna leuk te vinden. Veel schieten, zo hard mogelijk rijden en dan vol op de rem. De lengte van remwegen noteren, de inslagen van granaten onderzoeken, wat werd er niet getest? Het werd hem al snel duidelijk. Het zou de Leopard worden. Zijn Leopard.
Ongeveer een maand voor hij afzwaaide keerde de jongen terug naar Oirschot. Maar hij hoorde plotseling nergens meer bij. Kon ook niet wennen aan de dagelijkse routine. Niemand lette echt op hem. Hij maakte de resterende tijd van zijn dienstplicht vol en ging naar huis.
Is de jongen een man geworden in die anderhalf jaar? Hij denkt van niet. Maar het is hem wel bijgebleven als een leerzame ervaring. Waar hij wel degelijk wat aan heeft gehad. En eigenlijk ook niet had willen missen. Het ijzeren gordijn bestaat niet meer. Maar de relatie met veel landen, ook buiten Europa, is niet altijd even amicaal. We zijn lid van de NATO maar hebben moeite ons leger met uitsluitend beroepsmilitairen goed op orde te brengen. Dus toch maar weer een vorm van dienstplicht invoeren misschien.
Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.