18 sep De rugzak
Drie uur ’s middags verliet de vrouw haar huis. Dat deed ze elke dag, weer of geen weer. Naast de kapstok hing haar rugzak, een zwarte met een gouden band. Die deed ze om. Ze sloot de deur en liep de straat uit, de hoek om naar links, langs de bakker en verderop naar rechts. Daarna hoefde ze voorlopig alleen maar rechtdoor te lopen. Ruim anderhalve kilometer. Op de splitsing verderop kon je naar rechts of naar links. Ze gingen naar rechts. Zo liepen ze altijd. Hun gesprekken gingen over van alles en nog wat. Graag haalden ze herinneringen op aan de kinderen. De vakanties in Frankrijk, Italië… Hoe snel het allemaal was gegaan. Wat waren ze blij geweest met hun nieuwe huis toen de kinderen nog klein waren. Eindelijk ruimte, een tuin met een schommel en een zandbak. En de hond, die had ze zo leuk gevonden.
De vrouw liep langs het meertje en keek uit over het water. Weet je nog, zei ze, die keer dat de hond helemaal naar de overkant was gezwommen, zich daar uitschudde en toen naar ons stond te kijken. Zo van, waar blijven jullie, ik wacht hier wel even. Het meertje was niet zo heel breed, maar wel erg lang. Wij bleven hem maar roepen. En jij gooide stokken in het water. Waar hij alleen maar naar keek. Toen ik daarom moest lachen werd jij boos, ja boos, geef het maar toe. Tenslotte zijn we maar om het meertje heen gelopen, jij naar links en ik naar rechts. En hij bleef nog mooi op zijn plek zitten wachten ook. Soms keek hij naar links, zag hij mij aankomen, en dan weer naar rechts, naar jou. Hij kon niet kiezen. Tenslotte liep hij mijn kant op. Nou ja, het was toch meer mijn hond dan de jouwe. Vanaf het begin. Jij wilde hem eigenlijk helemaal niet, je deed het voor de kinderen zei je. Toen die het huis uit waren werd het stil bij ons. Een hond hadden we al lang niet meer. En de schommel en de zandbak heb jij weggehaald toen duidelijk werd dat er geen kleinkinderen zouden komen.
Laten we eerlijk zijn, in die periode werd jij er niet vrolijker op. Je vond het leeg en saai, zei je. Dat trok ik me wel aan. Ik kon er ook niets aan doen. Vanaf die tijd zijn we met lopen begonnen. Dan hadden we een doel, zei je. Iedere dag om drie uur gingen we op pad. Gelukkig hebben we dat altijd volgehouden, het was een goed idee. De wandeling was tien kilometer lang. En ze deden er meestal een uur of drie over. Of iets langer. Haast hadden ze niet. Waarom zouden ze? Na een kilometer of zeven kreeg ze altijd een beetje last van haar rugzak. Dan liep ze een poosje met haar duimen onder de riemen om haar schouders. Na een paar minuten was het nare gevoel dan weer weg. Als ze over het tuinpad naar de voordeur gingen deed ze haar rugzak al lopend af. En binnen hing ze hem gelijk aan de haak naast de kapstok. Samen uit, samen thuis. De urn die erin zat woog 2,9 kilo. Dat ging je toch voelen.
Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.