11 sep DE TIRADE
Kijk nooit op je telefoon wanneer je een boekhandel wilt binnenstappen. Maar net voor ik dat laatste wilde doen hoorde ik een appje binnenkomen. Dus toch maar snel even een blik op de telefoon. Had ik niet moeten doen. Ik voelde dat mijn voet bleef haken achter iets dat niet meegaf. En ik ging onderuit. Best hard eigenlijk. Gelukkig werd mijn val enigszins opgevangen. Door iemand die daar op de grond lag te slapen. Half voor de deur van de boekhandel. Hij had een een wijde zwarte jas om zich heen, ik zag de grote zilveren knopen. Er stond een grote tas voor hem. Daar was ik over gestruikeld. De man, het was een man, natuurlijk was het een man, kwam kreunend half overeind, keek waterig en slaperig om zich heen en begon hard te vloeken. Het galmde goed hier in die hal. Links en rechts zag ik mensen kijken, sommigen verschrikt. Voordat ik ook maar iets van een excuus kon laten horen zat hij al midden in zijn tirade. In plat Rotterdams. Nou, dat kan ik ook. We zaten elkaar daar een beetje uit te foeteren toen hij plotseling stil viel en mij met toegeknepen ogen aanstaarde. Hééé, als we daar Jan Willem in hoogst eigen persoon niet hebben, riep hij met schorre stem. Wat leuk dat je even langskomt, dat is lang geleden. Ik ging iets verzitten, zodat ik wat beter overzicht kreeg. Er stonden nog een paar mensen naar ons te kijken, maar die begonnen al weer langzaam door te lopen. Ik keek nog eens goed naar de man tegenover mij op de grond. Je weet niet meer wie ik ben, hè…? Hij grinnikte hard waarbij een zeer slecht verzorgd gebit zichtbaar werd. Dat gebit en die grinnik herkende ik. En toen zag ik het ook: Hans.
Hallo Hans, zei ik, terwijl ik nu echt goed begon te zitten, met mijn rug tegen de muur. Dat is lang geleden. Zo’n 40 jaar, rekende ik snel terug. Hij hees zich op en ging naast mij zitten. Weet je nog, zei hij, dat we toen tussen de middag naar die kroeg verderop gingen om wat te eten. Nou en of ik dat wist. Hij klom altijd op dezelfde kruk voor de bar. Nam wat te drinken en bestelde dan erwtensoep mét. Hij kreeg dan een bord met de soep van de dag. Het ‘mét’ werd naast het bord gezet. Een glas jenever waarvan hij de inhoud in de soep gooide. Gezellig zo, zei hij, maar ik begon me wat minder op mijn gemak te voelen. De eigenaar van de boekhandel had van binnenuit al een paar keer naar ons staan kijken.
Maakt niet uit, zei Hans, ik woon hier. Ik lig nu toevallig op deze plek, maar meestal daar verderop, achter die pilaar. Weet je, Jan Willem, ik ben je nog altijd dankbaar dat jij me ooit hebt aangenomen. Leuke tekstjes geschreven toen. Weet je wat, we gaan het vieren. Ik trakteer en jij betaalt. De slijter zit hier om de hoek. Neem zelf ook wat.
Ik eindigde die middag naast Hans op die plek naast de deur van de boekhandel. Boze passanten en een protesterende winkeleigenaar negerend. Ik kon niet anders. De bijzondere herinneringen aan hem waren sterker dan onze zwakke sociale positie hier. De fles oude jenever, die ik voor hem had meegenomen, ’daar blijf je jong bij Jan Willem’, was al snel half leeg. De tweede fles, die van ‘neem zelf ook wat’, bleef vol. Drinken doe ik al heel lang niet meer. Hij zat tevreden voor zich uit te staren. Vroeger was het beter prevelde hij, maar dit is ook niet verkeerd. Hij sliep. Ik stond zachtjes op en liep het gebouw uit.
Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.