23 jun Een lege stoel
Een lege stoel
Maak je geen zorgen, hoorde ik haar zeggen. Ik had al een behoorlijk stuk gelopen in de hitte. Vier reeën lagen aan de rand van een griend. Net even in de schaduw. Ze keken op maar vonden mij niet de moeite waard om voor weg te springen. Iets verder zag ik een uil. In de verkoelende holte van een zeer forse knotwilg. Wij keken elkaar aan. Ik knikte hem even toe. En hij knipoogde naar mij. Dat deed me denken aan meneer De Uil van de Fabeltjeskrant vroeger. Aan het eind van elk verhaaltje kwam hij in beeld. Met zijn ogen dicht. Daarna gaf hij je een knipoog. Dat deed hij niet zoals wij. Dat deed hij door even één oog te openen. Uilen beschermen hun ogen overdag tegen het felle licht. Het zijn nachtkijkers.
Ik begon last te krijgen van de warmte. Er stonden weinig bomen hier. In de verte lag een oud huisje, net zichtbaar in de bocht van het pad. Erachter de glinstering van een riviertje waar ik al kilometers langs liep. De zon wist mij goed te vinden. Langzaam kwam het huisje dichterbij. En ik zag de vage omtrek van een in het zwart geklede vrouw. Zij zat op een rechte stoel onder een oude, kromgegroeide boom. Een ondoordringbare plek voor de zonnehitte. Naast haar eenzelfde stoel. Leeg.
Een echte vriend
De vrouw keek mijn kant op. Ik stak mijn hand op en zij wenkte. Enigszins bukkend liep ik onder de takken van de boom door. Zij gaf een klopje op de stoel naast haar. Meer een gebod dan een uitnodiging. Er werd mij geen drinken aangeboden en ik durfde niets te vragen.
Haar blik was op de groene velden in de verte gericht. Zachtjes begon ze te praten, keek mij niet aan, alleen voor zich uit. Dat ze hier veel had gezeten. En dan was die stoel naast haar niet leeg. Daar zat haar man, dit was zijn stoel. Meer dan zomaar een man, zei ze, een echte vriend voor het leven. En hij is nu in goede handen, kwam er nog achter, God zorgt voor hem.
Ik geloof niet in God, was gelijk mijn antwoord. Waarom eigenlijk? Waarom niet gewoon begrijpend knikken. Dat doet er helemaal niet toe, antwoordde de vrouw, zonder enige aarzeling. Het gaat erom dat God in jou gelooft. Maak je verder maar geen zorgen. Daarna zwegen we.
Bijna twee weken later was het mijn favoriete weer. Donkere luchten, weinig wind, af en toe wat regen. Zelfde pad. Geen reeën en geen uil te zien. Wel het huisje. De gordijnen waren dicht. Er stond maar een stoel. Mijn stoel. Niemand te zien. Ik ging zitten. Het begon te waaien. Liepen daar in de verte mijn reeën, vier stuks achter elkaar, langzaam de griend in? Vloog er midden op de dag een uil boven het land? Zag ik meer dan er was? Maar je kunt toch niet zien wat er niet is?Ik keek opzij en dacht met een goed gevoel aan de vrouw. Maak je geen zorgen, dacht ik.
Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.