21 jul een-levensloop

Deze morgen ging ik wat vroeger op pad dan ik gewoon was. Diepe stilte in de polder. Nog geen zon wel een begin van licht. Ik was getuige van het ochtendgloren. En ik zag een wulp. De bermen, nog niet gemaaid, stonden vol bloemen. Mijn weg voerde naar een meer bosrijk gebied waar ik al eerder was geweest. Dat was in de winter. Nu werd het een mooie zomerse dag, dat kon niet missen. In het bos hoorde ik geen enkel geluid. Was ik zo vroeg dat zelfs de vogels nog niet wakker waren? Of was het gewoon toeval? Ik liep een bemost weggetje in dat prachtig slingerend door het bos ging. Af en toe keek ik, zoals altijd, om mij heen en achter mij. Naar dieren die, weggedoken, rustig hadden afgewacht tot ik voorbij was en dan pas wegliepen. Zoals hazen in het veld. En inderdaad, toen ik weer eens achter mij keek, leek het of ik iets zag wegglippen tussen twee bomen. Aan het eind van het weggetje kwam ik op een grote zandvlakte die ik zoveel mogelijk probeerde te vermijden door langs de rand te lopen. Dat rulle zand, dat liep niet prettig. Verderop kon ik weer het bos in. Ik draaide mij nog even om. Rechts, aan de andere kant van de zandvlakte, bewoog iets donkers. Een hert? Die zaten hier volgens mij niet. Een hond misschien. Ik keek nog eens goed en zag beweging, alsof er iemand liep
Waar maakte ik mij druk om?
Toen ik verder ging kreeg ik een wat onaangenaam gevoel. Alsof iemand mij volgde. Ik sloeg het eerste paadje van het bos in en ging terug in de richting vanwaar ik was gekomen. Daar liep ik de andere kant van de zandvlakte op. Zo kwam ik ongeveer uit op het punt waar ik dacht iets gezien te hebben. Voorzichtig om mij heen spiedend liep ik verder. Dit had niets meer met een rustige ochtendwandeling te maken. Na een minuut of vijf niets gezien of gehoord te hebben kwam de rust weer terug. Waar maakte ik mij druk om? Iets verderop splitste het pad zich in tweeën. Ik sloeg af naar rechts, daarna kon ik gelijk weer naar rechts. Zo’n 50 meter voor mij zag ik de man staan. Hij stond met zijn rug naar mij toe, enigszins van het pad af en tuurde tussen de bomen in de verte. Wat te doen? Hij zag er niet bepaald dreigend uit. Maar hij gedroeg zich opmerkelijk. Het leek alsof hij iemand zocht. Mij! Ik kuchte, hij draaide zich snel om, geschrokken leek het wel. Het was mij ontgaan maar intussen was het volledig licht geworden. De eerste zonnestralen vonden hun weg tussen de bomen. De man draaide zich om en stapte naar voren. Wij keken elkaar aan. Ik liep langzaam zijn richting uit. Hij bleef stil staan. Toen ik hem tot een meter of tien genaderd was hield ik halt. Ik krijg het idee dat u mij zoekt, zei ik. Hij knikte, heel langzaam, en zei: dat klopt.
Ik volg wandelaars, zei de man. Zomaar willekeurig. Ik pik er gewoon eentje uit. Mannen die alleen lopen. Een vrouw volgen doe ik niet. U was de eerste die ik zag vanmorgen. U was er vroeg bij. Meestal moet ik wel wat langer wachten. Dit is mijn derde jaar. Elke maand kies ik iemand uit. U bent nummer dertig. En de eerste die mij heeft ontdekt. Onbewogen had ik naar hem geluisterd. Met wie had ik te maken? Een originele geest of een verward iemand, misschien toch niet ongevaarlijk. Ik weet wat u zich afvraagt, vervolgde de man. Maar maakt u zich niet ongerust, ik doe dit voor mijn vrouw. Van elke levensloop, zoals ik ze noem, maak ik thuis een verhaal. Aan de hand van de route en wat degene die ik volg zoal doet, wordt het steeds een ander verhaal. Het is heel afwisselend. Ik zei hem dat ik het wel een originele invalshoek vond. En nog wat, zei de man, tot drie jaar geleden wandelde ik hier altijd met mijn vrouw. Zij is hier vlakbij om het leven gekomen. Hartaanval, zomaar tijdens het lopen. Ik doe dit voor haar. Omdat ik weet dat ze me ziet en mij ook volgt. Voor haar blijf ik lopen. Door steeds iemand anders te volgen wordt het elke keer een ander pad, Want ieder mens volgt zijn eigen pad. Dat weet u toch. We beginnen allemaal gelijk en we eindigen allemaal anders. Ik zie een wandeling als een verkorte versie van het leven. Van al mijn verhalen maak ik een boek, ging hij verder. Voor mijn vrouw. Wanneer dat klaar is lees ik het op een stil plekje in het bos aan haar voor. Pas dan kunnen wij samen rustig verder.
Een houten kruis
Opmerkelijk, zei ik hem. Maar wel origineel. Ik heb een voorstel. Neem onze ontmoeting in uw boek op. Tenslotte ben ik de eerste die merkte dat hij werd gevolgd. Sterker nog, zei ik, ik zal het verhaal van deze wandeling voor u opschrijven. Kijk maar wat u ermee doet. Dan heeft u nog een extra bijzonderheid in uw boek. Kom, zei hij, iets verderop is de plek waar mijn vrouw om het leven is gekomen. Ik stel voor dat u uw verhaal daar over twee weken achterlaat. We liepen nog geen honderd meter. Het was zomaar een plek in het bos, een smal pad, aan de zijkant had hij een houten kruis in de grond gezet. Met stenen eromheen. Meer niet. Verpak de tekst goed, zei hij, en begraaf hem onder de grote witte steen. Daar zal ik hem vinden.
Veertien dagen later, het regende en het stormde, liep ik over het pad. Met een in plastic verpakte envelop met daarin mijn visie op de wandeling en mijn ontmoeting met de man. Het kostte mij enige moeite iets te zien, zo hard kwam de regen naar beneden. Bij het kruis hield ik halt. Ik groef een gat, legde daar de envelop in en gooide de grond erover heen. Daar bovenop de witte steen. Langzaam deed ik een paar stappen achteruit. En zag, een meter of tien verderop in het bos, vaag, de man. Hij stak langzaam zijn hand op, ik draaide mij om en liep verder.
Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.