21 sep Een oranje stip
De buitengebieden van Herwijnen nog eens verkennen. Dat deden R en ik onlangs op zomaar een morgen. Niet bepaald opwindend, dat lopen over rechte wegen met soms wat flauwe bochten. En geen enkele ‘loopvoorziening’. Voor iedere auto moet je toch even de berm in. De ruilverkaveling begin jaren ‘60 hield geen rekening met fietsers en wandelaars. En in al die jaren is er nog steeds niets veranderd. We liepen de Mert op, een wel zeer lange weg door de polder. Heel in de verte kwam een figuur langzaam onze kant op. Links en rechts weiland. Gelukkig zagen we wat meer koeien in de wei dan de laatste jaren. En ook schapen. Veel witte reigers. Maar dan had je het wel gehad. Het was een man, ouder al, die in onze richting liep. Hij vorderde langzaam en stopte toen hij bij ons was. Ook goedemorgen, mompelde hij, aan de wandel? Dat laatste viel moeilijk te ontkennen, wij knikten beiden ja, en zeiden hem ook goedemorgen. Heb je het gezien, vroeg hij. Wij keken elkaar even aan en vroegen toen tegelijkertijd: wat bedoelt u? Op die bomen, antwoordde hij en knikte in de richting van de dichtstbijzijnde boom. Ja die bomen hadden we al gezien. En we hadden het er ook over gehad. Want we zagen geen ‘rijen ondenkbaar ijle populieren als hooge pluimen aan den einder staan’, maar wel eiken en essen. Het waren mooie bomen en ze gaven wat diepte en kleur aan de oneindige graslanden. Moet je achter op die stam kijken, zei hij. Ik liep naar de boom en keek aan de slootkant. Niks te zien. Lager, zei hij, lager. Ik moest hoog gras met mijn handen opzij duwen om het goed te zien. Een dikke oranje stip. En dat gaat zo de hele Mert door, zei hij. Soms om en om, dan weer een paar niet. Bij de essen en bij de eiken. Vreemd zei ik, je ziet dat vaak in bossen. Maar dan gaat het meestal om zieke bomen. Ze gaan deze gezonde bomen toch zeker niet kappen, zei R. Natuurlijk niet, zei ik. We willen toch juist bomen, ze zijn hard nodig. Wat ik wel vreemd vind, die stippen zitten aan de achterkant, bijna op de grond. Willen ze soms niet dat we het zien? De oude man liep al weer even langzaam door als hij gekomen was. Draaide zich nog even om en zei: een gezonde boom omzagen is een doodzonde. Dat zeg ik.
Thuis lees ik dat de gemeente West Betuwe voor zo’n 40.000 bomen moet zorgen. Niet kappen, maar zorgen. Een zieke boom hoeft lang niet altijd gekapt te worden. Je kunt hem goed verzorgen. Herwijnen heeft veel bomen in de openbare ruimte. Met bijna 3.150 stuks staat het op de tweede plaats in West Betuwe. Alleen het veel grotere dorp Geldermalsen heeft er meer: zo’n 6.300. Herwijnen heeft dus heel wat te verliezen. Want dat vele groen draagt bij aan de leefbaarheid van het dorp. In de krant lees ik over essenziekte. Maar dat hebben eiken toch niet? Ik lees ook dat de ChristenUnie zich zorgen maakt over de vele kap. En vragen heeft gesteld.
Waarom is de gemeente zo kaplustig? Bang voor schadeclaims bij slecht onderhoud? Hou het dan bij. Bezuinigen is geen argument. Dat doe je maar op het gemeentehuis. De biodiversiteit holt achteruit. Kappen voor biomassa is uit den boze. De burgers willen het gewoon niet meer.
Een gezonde boom omzagen is een doodzonde, zei de oude man. Ik fietste een paar dagen later over de Mert. Gewoon kijken of ik hem toevallig weer tegenkwam. Nee, natuurlijk niet. Ik zag wel in gedachten heel veel bomen kreunend en stuiptrekkend langs de weg liggen. Ze waren bijna dood.
Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.